‘De Duurzame School’

Ontwerpend onderzoek ‘De duurzame school’
deze studie is verricht in samenwerking met dr. Bernard Kormoss en mede mogelijk gemaakt door Stimuleringsfonds voor Architectuur.

We hebben vanuit een viertal bekende schooltypologieën een visie op duurzame scholenbouw ontwikkeld. Daarbij uitgaande van de ruimtelijke mogelijkheden van het klaslokaal als basiseenheid. Het onderzoek gaat in op low-tech oplossingen, gedifferentieerde klimaatzones, flexibiliteit en meervoudig ruimtegebruik. De studie is gepubliceerd als Layout bij het Stimuleringsfonds voor Architectuur.

In de huidige ontwerpopgave voor schoolgebouwen tekenen zich een aantal trends af. Er is veel aandacht voor de verbetering van de bouwfysische en energetische kwaliteit van de leeromgeving: voor de zogenaamde frisse scholen en duurzaamheid. De vraag is: zijn er ondanks de financiële beperkingen duurzame alternatieven denkbaar? Daarbij staan niet de nieuwste technologische mogelijkheden centraal, maar de ruimtelijke implicaties van bestaande technieken en de typologische grondslag van huidige schoolgebouwen.

Een andere tendens is het fenomeen brede school: het onder één dak brengen van scholen met meerdere functies zoals sociale en culturele instellingen. Vanwege de sociale en economische voordelen zijn er de laatste jaren vele brede scholen gebouwd. Ondanks de geëffectueerde functieclustering verandert er op een grotere aula of gymzaal na, typologisch en ruimtelijk weinig. In de brede school verplaatst de aandacht zich naar de algemene gedeelten waar ieders identiteit tot uitdrukking moet komen. De klaslokalen, de plek waar een leerling toch het grootste deel van zijn schoolcarrière verblijft, blijven buiten beeld. De ontwerpaandacht in de scholenbouwdiscussie is verschoven van de primaire onderwijsruimte – het klaslokaal – naar ontwerpexperimenten met algemene ruimtes.

Met dit uitgangspunt hebben we een reeks van historische en recente scholen onder de loep genomen en hebben we een aantal typologische modelstudies gedaan.

Bij ieder van de onderzochte schoolgebouwen is een vaste kern van gemeenschappelijke ruimtes herkenbaar, zoals gymzaal, aula of speellokaal en kantoren. De grootte van de kern is niet bepaald door het aantal lokalen, maar door de normatieve afmetingen van een sportveld. Deze vaste kern bepaalt meestal de identiteit van de school.

Vanuit deze constatering en op basis van de onderzoeksgegevens is een nieuw typologisch schoolmodel ontworpen. Het is een gezoneerd model dat bestaat uit een vaste kern die als identiteitsdrager en als wijk- buurtcentrum fungeert, uitgebreid met een flexibele ‘lokalenzone’. Door zijn permanente karakter, kan de vaste kern worden ingezet voor ruimtelijke en programmatische eisen die de omgeving stelt. De lokalen bieden met hun tijdelijke karakter, maximale flexibiliteit qua schoolgrootte. Deze combinatie van permanente en tijdelijke bouwdelen vormt de basis voor een meer efficiënt en flexibel investeringsmodel voor scholenbouw, in het bijzonder voor krimpregio’s.

Het modernistische credo voor meer licht, lucht en ruimte is in de huidige duurzaamheidtrend heruitgevonden, voortkomend uit een energietechnische vraagstelling.

‘Een van de eerste eisen, die men een schoolgebouw stelt, is wel dat het in staat is een maximum aan licht en frisse lucht op te vangen.’

Deze uitspraak van een conrector in het architectuurtijdschrift ‘De 8 en Opbouw’ uit 1940 kan zo in het huidige programma van ei­sen voor de zogenaamde Frisse Scholen worden opgenomen. Bij een herstudie van het scholenbouwdiscours in de eerste helft van de vorige eeuw viel vooral op hoe actueel deze discussie nog is. Hieruit afgeleid hebben we gekeken naar het effect van de typologische opzet op drie belangrijke duur­zaamheidcriteria. De kracht van enkele modernistische voorbeel­den zit vooral in de bijzondere doorsneden die zijn ontwikkeld. Een ‘duurzame doorsnede’ kan de benodigde installaties ver­ minderen en zo budget vrijmaken voor meer ruimte. Een bijkomend voordeel van een dergelijk gepro­fileerde doorsnede zijn bijzondere binnen­ en buitenruimtes.

De typologie van schoolgebouwen in het basisonderwijs is in de afgelopen decennia niet wezenlijk veranderd. En hoewel schaalvergroting steeds vaker voorkomt, vooral door toepassing van de brede school, heeft deze ontwikkeling typologisch geen noemenswaardige veranderingen teweeg gebracht. Ook de meeste duurzaamheidmaatregelen blijken nauwelijks invloed te hebben op de basistypologie van het schoolgebouw. Wat dit onderzoek naar voren brengt, is dat hernieuwde focus op het klaslokaal als ruimtelijke basiseenheid een voorwaarde is voor de beoogde transformatie naar duurzame scholenbouw.

Met een lowtech benadering en het lokaal als basiseenheid kan een divers schoollandschap worden gecreëerd door de verschillende klimaatzones als plusruimtes voor het onderwijs in te zetten. Ook kunnen deze zones voor het geven van onderwijs worden samengevoegd tot ruime ateliers of lofts.

Ondanks de geschetste mogelijkheden, is het belangrijk te beseffen dat de keuze voor de inrichting en herstructurering van binnenruimten niet louter op architectonische gronden plaatsvindt. Deze is, net als de keuze voor een bepaald schoolgebouwtype, sterk afhankelijk van de heersende onderwijsopvattingen en beschikbare huisvestingsbudgetten. Echter, met het lokaal als basiseenheid en door prefabricage op basis van duurzame doorsneden kan de toepassing van dure installaties verminderen. Op die manier kan er budget worden vrijgemaakt voor duurzaam en flexibel ruimtegebruik in de scholenbouw. Vanuit dit ontwerpprincipe zijn we er van overtuigd dat, ondanks de zorgelijk lage huisvestingsbudgetten in het onderwijs, er nog steeds mogelijkheden zijn voor nieuwe typologische en ruimtelijke ontwikkelingen in de scholenbouw.